Dit nieuwe Europese actieplan betreffende energie-efficiëntie, het rapport Bendt Bendtsen (Denemarken), werd met een verpletterende meerderheid goedgekeurd door de Europese parlementariërs die op 15 december 2010 in Straatsburg bijeen waren (511 stemmen voor, 64 tegen en 57 onthoudingen). Voor het eerst heeft Europa beslist om de lidstaten hierover een verplichting op te leggen. De opsteller van het rapport, Deens Europarlementslid Bendt Bendtsen, beklemtoonde dat bepaalde maatregelen sterk kunnen bijdragen tot energiebesparing. Door bijvoorbeeld de energie-efficiëntie van huishoudelijke toestellen te verbeteren, kan in Europa een hoeveelheid energie bespaard worden die overeen komt met de totale consumptie van het Verenigd Koninkrijk of Italië. Er werd (slechts) één amendement ter stemming voorgelegd, namelijk het dwingende karakter van het streefdoel. Ook dit werd goedgekeurd, zij het met een niptere meerderheid: 336 stemmen voor en 305 tegen.
In volle energiecrisis, nu de koers van petroleum doet terugdenken aan de pieken van 2008, wil Europa dus ingrijpen, maar zijn niet alle leden het eens over het verplichtende karakter van de maatregel... De grootste tegenstanders zijn Finland, Nederland, Slovakije, Slovenië en Roemenië, die kritiek hebben op het kostenplaatje en het concurrentiële aspect van het systeem. Laat ons echter een ander voorbeeld aanhalen: in de Europese Unie zijn gebouwen verantwoordelijk voor ongeveer 40% van het energieverbruik en ongeveer 36% van de uitstoot van broeikasgassen. Om deze efficiënter te maken, beveelt het rapport van het Europees Parlement de Commissie aan de innoverende oplossingen en financiële aanmoedigingspremies op te lijsten die reeds bestaan op het regionale, nationale en Europese niveau. Het rapport legt ook de nadruk op de openbare sector, die overal in Europa het voorbeeld zou moeten geven en een pioniersrol moet vervullen in de promotie van energiezuinig gedrag.
Het rapport vertrekt vanuit deze optiek om ervoor te pleiten dat de keuze voor een dwingend streefcijfer de mogelijkheid zou bieden om in de 27 lidstaten een samenhangend en efficiënt beleid te voeren. Laten we ook niet vergeten dat Europa, op de top van Cancun, al een dwingend streefcijfer met betrekking tot broeikasgassen verdedigde en bovendien voor zichzelf een dwingend streefcijfer ingevoerd heeft voor hernieuwbare energie.
Eigenlijk is de beoogde vermindering van het energieverbruik met 20% ook een constructieve reactie op de stijging van de energieprijzen. Grosso modo schat Europa dat elk gezin zo duizend euro per jaar zou kunnen besparen.
Op 4 februari laatstleden heeft de Europese energietop het dossier dus opnieuw op de agenda gezet. De gesprekken handelden over de mogelijke manieren om aan de Europese burgers veilige, duurzame en betaalbare energie te leveren. Zo werd gedacht aan een versterkte samenwerking op het gebied van groene energietechnologieën, efficiënt energiegebruik en hernieuwbare energie, in het kader van een eengemaakte Europese energiemarkt. De Europese Unie (met haar 500 miljoen burgers en 20 miljoen bedrijven) vormt nu eenmaal de grootste regionale energiemarkt en staat in voor een vijfde van de wereldwijde energieconsumptie.
Ten slotte is het ook nog zo dat de energieproductie binnen de EU voor het grootste deel afkomstig is van kernenergie (30%), gevolgd door vaste brandstoffen (22%), gas (20%), petroleum (14%) en hernieuwbare energiebronnen (16%). In de afgelopen tien jaar is de EU minder energie gaan produceren en meer energie gaan invoeren. Eigen productie dekt vandaag de dag nog slechts minder dan de helft van de energiebehoefte van de EU. Het aandeel ingevoerde energie bedroeg in 2006 nog 54% en blijft toenemen. Ook daarom is het belangrijk dringend in te grijpen. Als deze trend zich voortzet zal tegen 2030 meer dan 70% van de olie en het gas die in de EU verbruikt worden, ingevoerd moeten worden... wat geen goed vooruitzicht is, alsmaar stijgende energieprijzen.
Dit betekent ook dat er in de loop van de tien volgende jaren in de energiesector investeringen zullen nodig zijn in de grootorde van duizend miljard euro, zowel om de bestaande bronnen te differentiëren, de verouderde infrastructuren te vervangen en het aandeel energie afkomstig van hernieuwbare bronnen te vergroten.