De prijzen zijn hoger in België
Uit deze interessante en zeer volledige studie blijkt dat er een betekenisvol verschil in toegepaste prijzen is in het nadeel van België, dat echter gedeeltelijk onverklaard blijft.
Identieke producten kosten in België gemiddeld 10,4% meer dan in Nederland, 10,6% meer dan in Duitsland en 7,0% meer dan in Frankrijk. Voor de getransformeerde voedingsproducten ligt de prijs in België 12,5% hoger dan in Nederland, 7,5% hoger dan in Duitsland en 8,6% hoger dan in Frankrijk. Deze prijsverschillen bevestigen de bevindingen in de eerder door het OIVO uitgevoerde studies:
Prijzen over de grens, vergelijking van de prijzen van non-foodproducten
Prijzen over de grens, vergelijking van de prijzen van voedingsproducten
Waarom zijn die prijzen hoger?
Volgens de studie kunnen meerdere factoren de hoge prijsverschillen verklaren. Bijvoorbeeld:
- De verschillen op het vlak van de indirecte belastingen verklaren 2% van dat verschil. Het BTW-tarief op de meeste van die producten is 0,5% hoger in België dan in Nederland en in Frankrijk (1% lager dan het percentage in Duitsland) en voor andere producten is de BTW 2% hoger dan in Nederland en in Duitsland en 1,4% hoger dan in Frankrijk. Ook de directe belastingen zouden een deel van de prijsverschillen kunnen verklaren.
- De verschillen in de loonkosten. Er wordt in Nederland meer een beroep gedaan op goedkope werkkrachten (jobstudenten) die deeltijds werken, terwijl de mankracht in België duurder is doordat de werknemers carrière willen maken in de distributie. De loonkost zou 2% van de verschillen kunnen verklaren.
- De verschillen in de exploitatiekosten (onroerend goed, logistiek), maar volgens de studie is er niets dat aangeeft dat de efficiëntste bedrijven in België en in Nederland sterk verschillende kosten zouden hebben.
- De aankoopprijzen worden in België als hoger ervaren door de distributeurs en dat heeft ongetwijfeld te maken met specifieke kenmerken van het Belgisch grondgebied (bijv. etikettering in drie talen) en met het ontbreken van een parallelle handel. Het zou voor een winkelketen moeilijk zijn om zich in het buitenland te bevoorraden vanwege de specificiteit van de producten die voor de Belgische markt ontwikkeld worden. Dat element zou echter niet meer dan 2% van de verschillen verklaren.
- De verschillen in structuur tussen de buitenlandse markten en de Belgische markt. De concentratie van de Belgische distributiemarkt wordt gekenmerkt door een grotere concentratie van de marktaandelen. 75% van de markt is immers in handen van de drie grootste spelers (Carrefour, Delhaize en Colruyt, elk met een marktaandeel tussen 21% en 26%). Hoe groter die marktconcentratie, hoe hoger de prijzen. En hoe groter het marktaandeel van een keten in een gemeente, hoe hoger de toegepaste prijs voor een product zal zijn. Het ontbreken van concurrentie maakt het toepassen van hogere prijzen mogelijk.
- Het feit dat het prijsniveau bepaald wordt door de duurste keten en dat de concurrenten hun prijzen op die leidinggevende keten afstemmen. In de praktijk wordt een prijsvermindering voorgesteld in verhouding tot een hoge referteprijs die niet met een eerlijke marge overeenstemt, maar door het streven naar de hoogst mogelijke marge bepaald wordt. Deze factor bewijst min of meer het bestaan van een trend om de consument een hoog prijsniveau te doen betalen.
(1)
- De Belgische wet die verkopen met verlies verbiedt, zou tot een verhoging van de prijzen leiden doordat de supermarktketens hun klanten geen lagere prijs mogen aanrekenen dan de groothandelsprijs, die als een uniforme bodemprijs kan werken en de supermarkten en hun toeleveranciers ertoe beweegt om de groothandelsprijs en de winstmarges te verhogen om de concurrentie tussen distributeurs, maar ook tussen leveranciers terug te dringen.
- De daadloosheid (honkvastheid, gebondenheid aan gewoonten) van de consument die maakt dat hij prijzen en kwaliteit van dure en ingewikkelde diensten voor de consumenten niet vergelijkt. Daarvoor moeten immers meerdere winkels bezocht worden, moeten de toegepaste prijzen onthouden worden en moet de consument gaan rekenen en samenvoegen om de gemiddelde kostprijs te bepalen. Daarbij komt nog dat de prijs bijlange niet het enige selectiecriterium voor een winkelketen is.
De studie concludeert dat de verschillende bestudeerde kostenelementen niet toelaten om een prijsverschil van meer dan 6% te verklaren.
| Kostenelement (studie FOD Economie) |
Verschil (B – NL) |
| Indirecte belastingen |
< 2% |
| Directe belastingen |
Hangt van de onderneming af |
| Sociale zekerheid werkgever |
< 1% |
| Werkkosten(2) |
< 2% |
| Aankoopbonnen |
< 1% |
| Winstgevendheid |
Verwaarloosbaar(3) |
| Totaal |
< 6% |
En de verschillen tussen de winkels kunnen tot 25% oplopen. Vandaar dat het voor de consument van belang is de prijzen van verschillende producten en in de verschillende ketens met elkaar te vergelijken.
Wat raden we de consument aan?
De consument moet waakzaam zijn en mag niet aarzelen om productprijzen te vergelijken.
- Aangezien de prijzen tussen de ketens zo sterk verschillen, moet de consument de prijzen vergelijken op basis van een eigen boodschappenlijst. Het heeft geen zin voor de consument om gemiddelde prijzen te vergelijken, hij moet puur voor zijn eigen aankopen een vergelijking van de prijzen maken.
- De consument moet de voorkeur geven aan de huismerken (B-merken). Die producten zijn vaak van identieke kwaliteit, zoals blijkt uit enkele OIVO-studies en de verschillen in prijs tussen een nationaal merk en een vergelijkbaar distributeurmerk (DM) bedraagt in België gemiddeld 40 à 45%. De studie van het UROC en het OIVO bevestigt die trend. Kiezen voor de "eerste prijzen" (C-merken) kan ook een oplossing zijn voor producten met een eenvoudig recept, die merkelijk goedkoper zijn dan de distributeurmerken (B-merken) of de nationale merken (A-merken).
Het OIVO vraagt dat de overheid
- Een geharmoniseerd instrument voor prijsvergelijking in het leven roept, dat de aankondigingseffecten afschaft en elke reële vergelijking beperkt. Nu kan aankondigen dat de prijzen voor bepaalde producten vergelijkbaar zijn met die van een andere keten of producten en korven vergelijken op basis van een verschillende methodologie de consument misleiden. De overheid moet werk maken van de invoering van dit instrument door middel van bijvoorbeeld de normalisatie. Het volstaat niet de producten met elkaar te vergelijken, maar er moet ook met hun gewicht in de samenstelling van de gezinskorf rekening gehouden worden.
- Zich goed bezint over de bijsturing van de wet op de verkopen met verlies om de inflatie te beteugelen. Die afschaffing zou op termijn een "fout" effect kunnen hebben. De keten met de laagste kosten om met verlies te verkopen zou zijn directe concurrenten kunnen laten verdwijnen en zo een monopolie verkrijgen. Eenmaal zover, zou het gemakkelijk zijn om de prijzen naar eigen goeddunken opnieuw te verhogen en aan de consument op te leggen.
- De marktevolutie monitort en met name de ontwikkeling van de distributeurmerken opvolgt, gelet op de ongewenste gevolgen die deze zouden kunnen hebben door de keuze van de consument te verkleinen. Distributeurs met een groot marktaandeel zouden immers (kunnen) proberen om de verkoop van een concurrerend product in te perken. Supermarkt-ketens zouden bijvoorbeeld kunnen proberen om bepaalde concurrenten uit te schakelen door een non-listing (extreem geval) of door verschillende kosten te verhogen die voor de DM niet gelden, zoals de toegangskosten tot de rekken ("listing fees") of door ze een minder gunstige plaats of minder ruimte te geven in de rekken. De distributeurs zouden ook hun bevoorrechte positie kunnen misbruiken door de informatie over de toekomstige producten en projecten van hun leveranciers te gebruiken.
- Toezicht houdt op de prijsafspraken,(4) die al talloze keren door Europese instanties aangeklaagd werden: bananen, waspoeders, onderhouds-, bakkerij- en zuivelproducten zijn in dat verband maar het topje van de ijsberg. Beweren dat kartels niet bestaan is een teken van slechte kennis van de belangen van de operatoren ofwel van het ontbreken van politieke wil. Het OIVO had enkele jaren geleden ook al prijsafspraken over melk aangeklaagd.
- De productprijzen (in euro) publiceert die opgetekend worden in het kader van de prijzenindex en niet de indexen, om zo een consumentencultuur en een betere prijzenkennis bij de consumenten te ontwikkelen.
- Een modern statistisch instrument ontwikkelt dat eenduidig is en zich baseert op de reële consumptie van de gezinnen dankzij het verzamelen van de gegevens in het verkooppunt.
(1)De zeer lage rentabiliteit van één van de drie hoofdspelers op de markt (Carrefour) belet hem om een agressieve prijzenpolitiek te voeren. De concurrerende ketens gebruiken zijn prijzen als richtsnoer, maar hebben er toch ook geen enkel belang bij die te sterk te verlagen om een beetje marktaandeel bij te winnen. Ook al voert een andere speler een beleid waarbij de prijzen van andere ketens gevolgd worden (die operator is geen price leader, maar een price follower), kan die politiek van "beste prijzen" de concurrentie ontmoedigen om hun prijs te verlagen. Doordat deze operator zich ertoe verbindt om de prijsdalingen te counteren, wordt het effect van een prijsdaling op de volumes die een concurrent verkoopt merkelijk kleiner. Deze politiek van beste prijzen wordt gestabiliseerd door het verbod om met verlies te verkopen en de efficiënte organisatie (met lage exploitatiekosten tot gevolg) die voor deze speler verzekert dat zijn beste-prijzenbeleid vol te houden is. Dat effect wordt versterkt door het feit dan de concurrenten die lagere prijzen zouden kunnen toepassen, ook kleiner zijn en dus geen toegang hebben tot even gunstige aankoopvoorwaarden.
(2)De distributeurs krijgen geen identieke goederen tegen dezelfde voorwaarden.
(3)Er lijkt geen groot verschil in winstgevendheid te bestaan tussen de Belgische en de Nederlandse ketens.
(4)Prijsafspraken kunnen een verklaring zijn voor bepaalde hoge tarieven. Tussen januari 2006 en maart 2009 is bijvoorbeeld de gemiddelde prijs van brood van €1,69 naar €1,99 gestegen, d.i. een stijging met 18%. En die prijsstijging kan niet enkel verklaard worden door de stijging van de prijs van tarwe of van energie: de energieprijs daalt trouwens momenteel. Wat de broodprijs betreft is het nuttig te herhalen dat het VEBIC, het verbond van Vlaamse bakkers, veroordeeld werd tot een boete van 29.120 euro voor onwettige afspraken. Het VEBIC had niet geaarzeld om een berekening- en prijsaanpassingsysteem te ontwikkelen dat, volgens de Raad voor de Mededinging, de bakker ertoe aanzette om zijn verkoopprijs te verhogen. Over de sector van de huishoudproducten schreef Le Figaro dat 'Neuf groupes, fabriquant des marques parmi les plus connues au monde, sont suspectés d'avoir participé à une vaste entente sur leurs tarifs en France. Parmi ces suspects figurent Unilever, Colgate Palmolive, SC Johnson ou Henkel dont les produits sont présents dans les placards de tous les ménages... Johnson raconte que, depuis la fin 2004, [Ces groupes] avaient pris l'habitude de se téléphoner très régulièrement et de tenir des réunions secrètes. Des e-mails étaient également échangés, tandis que des études de marché réalisées par des sociétés spécialisées étaient mises en commun. L'essentiel des données transmises concernait bien sûr leurs parts de marché respectives dans les produits d'entretien et les insecticides notamment, mais aussi les prix que chacun pratiquait. Ils partageaient également des informations commerciales sur les conditions que leurs clients les distributeurs accordaient à chacun. Parmi celles-ci, figuraient les demandes formulées par la grande distribution qui voulait leur faire payer l'intégralité de la réduction des prix... Sentant le vent tourner en sa défaveur, Colgate décidait à son tour de se confier au Conseil de la concurrence. Le groupe américain lui avoue avoir participé à une autre entente avec Procter et Unilever, sur le marché des produits corporels, cette fois.' In de speelgoedsector bracht de Conseil de la Concurrence in Frankrijk een verticale prijsafspraak aan het licht. Die Raad veroordeelde daarop 5 leveranciers en 3 distributeurs van speelgoed tot een totale boete van 37 miljoen euro voor het maken van prijsafspraken ten nadele van de consumenten voor de verkoop van hun producten tijdens de kerstperioden. Carrefour, MaxiToys en JouéClub hadden afspraken gemaakt met hun leveranciers om één prijs per stuk speelgoed te verkrijgen en zo elke concurrentie op te heffen. Omdat dit niet de eerste keer was, werd Carrefour veroordeeld tot het betalen van boetes voor een totaal bedrag van 27,4 miljoen euro.