Bovendien zorgen de slechte kennis van hun rechten als patiënt en het ontbreken van een omschrijving van de dienstverlening ervoor dat er maar weinig klachten ingediend worden.
Het kan echter niet ontkend worden dat het aantal consumenten dat om de ene of andere reden naar het ziekenhuis moet, groot is. Het aantal patiënten dat het slachtoffer wordt van een schadelijke fout van de behandelende arts is – mogen we hopen – minder groot. Maar het kan voorvallen en dan rijst de vraag wie voor de schadevergoeding zal moeten instaan. Moet die van het ziekenhuis of van de arts gevorderd worden?
Het antwoord op die vraag werd gegeven door het Hof van Beroep van Brussel in een vonnis dat op 13 januari 2010 geveld werd (Revue Générale des Assurances et des Responsabilités, juni 2010, n°6, p. 14655). We wensen niet in detail te treden, maar het ging om een slachtoffer dat vergoed wilde worden voor schade die door de schuld van een arts van een zorgcentrum veroorzaakt werd. De betrokken patiënt was welbewust naar die instelling gegaan voor een auscultatie door een arts van de spoedafdeling, ook al was het probleem feitelijk geen "spoedgeval". Het resultaat: een gipsverband aan het been voor een twintigtal dagen. Maar de patiênt bleef pijn hebben aan de linkerhiel. Het verdict anderhalf jaar later luidde "duidelijke compressie onder gipsverband met blijvende neuropathische pijn", een zin die alles zegt over de oorzaak en de gevolgen. Een gerechtelijke procedure volgde.
Het ziekenhuis heeft voor de rechter wel geprobeerd om zijn aansprakelijkheid te betwisten. Het argument dat daarbij gehanteerd werd was dat het contract tussen het ziekenhuis en de patiënt enkel op het structurele en organisatorische aspect betrekking heeft en niet op de uitoefening van hun beroep door de artsen.
Het Hof van Beroep verwierp die visie door te oordelen dat de arts contractueel verantwoordelijk is ten overstaan van de patiënt, zelfs los van de vraag of de arts als werknemer of als zelfstandige in het ziekenhuis actief is. Wanneer de patiënt een contract met het ziekenhuis afsluit, dan omvatten de verplichtingen van dat ziekenhuis niet alleen de administratieve aspecten, maar ook de zorgtaken in de ruimste betekenis van het woord, dus inclusief de medische prestaties.
Gelukkig maar voor het slachtoffer van de medische fout, want anders was het in onderhavig geval de arts die aangeklaagd had moeten worden...
Daarnaast biedt dit vonnis - nauw aansluitend op deze problematiek - het OIVO de gelegenheid om betrokken instanties te herinneren aan de oprichting van het vergoedingsfonds voor medische ongevallen door een wet van 31 maart 2010. Het slachtoffer van zulk een ongeval kan zich daardoor tot dat fonds wenden in diverse gevallen, die in artikel 4 van die wet opgesomd worden:
- wanneer de schade veroorzaakt is door een medisch ongeval zonder aansprakelijkheid, voor zover de schade aan één van de voorwaarden betreffende de ernstgraad voorzien in artikel 5 beantwoordt;
- wanneer het fonds van mening is of vastgesteld werd dat de schade veroorzaakt is door een feit waarvoor een zorgverlener aansprakelijk is van wie de burgerlijke aansprakelijkheid niet of onvoldoende door een verzekeringscontract gedekt wordt;
- wanneer het fonds meent dat de schade veroorzaakt is door een feit waarvoor de aansprakelijkheid van een zorgverlener geldt maar waarbij laatstgenoemde of zijn verzekeraar die aansprakelijkheid betwist, voor zover de schade aan één van de voorwaarden betreffende de ernstgraad voorzien in artikel 5 beantwoordt;
- wanneer de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de zorgverlener die de schade veroorzaakte, een voorstel tot schadeloosstelling formuleert dat het fonds als ontoereikend beschouwt.
Tot slot willen we er ook nog op wijzen dat er sinds 2002 een wet bestaat die de patiënt bepaalde rechten toekent (wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt). Hij heeft bijvoorbeeld het recht op bescherming van zijn privacy en zijn intimiteit, om de arts van zijn keuze te kiezen en vrij met eender welke ingreep door die arts in te stemmen, om zijn dossier te raadplegen enzovoort. In verband met de uitoefening van die rechten heeft hij bovendien de mogelijkheid om zijn beklag te doen bij een ombudsdienst en – in tweede instantie – bij een Federale Commissie "rechten van de patiënt", waarvan de oprichting door de betreffende wet voorzien wordt.
Het OIVO spoort de patiënten vanzelfsprekend aan om gebruik te maken van de rechten die deze wet hen biedt...